JOHN SIJMONSBERGEN

Ode aan Netty

Netty Veldkamp-Wieringa, lachend op een brug in Amsterdam

Over eigenwijsheid, moed en de Eigen Vrije Wil.

Vorig jaar overleed mijn schoonmoeder Netty Veldkamp-Wieringa. Ze was voor ons gezin een ijkpunt, anker en thuishaven tegelijk. Maar Netty was veel meer dan alleen belangrijk voor ons. Ze is belangrijk geweest in de levens van duizenden anderen. Daarom deze ode.

Netty had de (tegenwoordig) ongekende gave om niet te oordelen over anderen, terwijl ze wel een sterke mening had. Ze noemde dat de EVW: de Eigen Vrije Wil. Zelf kunnen beslissen, ondanks alle beperkingen en invloeden van buitenaf, is haar leven lang een leitmotief geweest. Dat vereiste moed in de conservatieve milieus van de jaren vijftig en zestig; tegen de preciezen in kerk en familie; in de door mannen gedomineerde samenleving.

Toen haar gezondheid enkele jaren geleden sterk achterging, deerde dat haar nauwelijks. Ik ben niet erg ziek, zei ze (dat was ze wel). Flauwekul en Gedoe zei ze over de pijntjes, medicijnen en zorgtoestanden. Maar wat ze vervolgens zei typeerde Netty nog veel meer. Daar had Netty veel meer moeite mee dan de ziekte zelf. Ze was dan ook altijd bezig om anderen sterker te maken.

Afhankelijkheid is ook een vorm van ziekte.

Netty was vanaf de vroege jaren zeventig betrokken bij de oprichting en uitbouw van de hulplijn Vrouwen Bellen Vrouwen. Vrouwen konden bij de vrouwentelefoon terecht als ze te maken kregen met huiselijk geweld of intimidatie. Netty trainde de vrouwelijke vrijwilligsters en zat zelf ook aan de lijn.

Vanaf de jaren tachtig gaf ze les aan vrouwen in de Bijlmer Bajes. Dat waren bijeenkomsten voor vrouwen die nauwelijks naar school waren gegaan. In die jaren volgden tienduizenden vrouwen een cursus van Netty. Met als gevolg dat vrouwen gingen lezen, uit hun isolement kwamen, zelfstandig en mondig werden. De invloed van die cursussen op deze generatie vrouwen is enorm geweest. En Netty was een van de pioniers.

Daarna gaf Netty nog jarenlang taallessen aan vrouwen die nieuw in Nederland waren. In die talencursussen waren vorming en sociale integratie minstens zo belangrijk als het leren van Nederlands. En ook hier stimuleerde ze andere vrouwen om training te gaan geven.

Waar sommige vrouwen buiten op de barricaden stonden, deed zij dat binnen. Ze moedigde anderen aan om aan de slag te gaan. Dat haar naam niet in de vele boeken over het feminisme staat, heeft daar ongetwijfeld mee te maken. Iedereen kende haar en zij kende iedereen. Netty was informeel zeker een van de belangrijke vrouwen van de vrouwenbeweging. En toch merkte je dat nooit aan haar als je met haar sprak.

Dat ze een gezin had, een man en kinderen, dat wisten de meeste mensen wel. Ze was voor vrouwen, niet tegen mannen. Ze kon daarin een balans vinden: een gezin hebben én vechten voor de goede zaak. Ze heeft ons aangestoken, gestimuleerd en opgevoed om ook zelf beslissingen te nemen en niet klakkeloos anderen te volgen. Voor ons, en voor de vele duizenden vrouwen die ze in de loop der jaren heeft geholpen, leeft dat door.

Deze tekst is gebaseerd op de grafrede die ik voor Netty heb uitgesproken en op woorden van een oude vriendin van haar.

De Waakvlam in de samenleving

John Sijmonsbergen, zwart-witportret door fotograaf Henk Warrink

Mijn vader vond het maar niks, die fascinatie van mij voor de oorlog. Als kind speelde ik met soldaatjes en bouwde ik plastic vliegtuigen en tanks. Ik verslond de bekende populairwetenschappelijke reeks groene fotoboeken over de Tweede Wereldoorlog en veel van die kleine oorlogs-pocketstrips die in de jaren ‘70 populair waren. En als ik groot was zou ik naar de marine gaan, in het kielzog van mijn vader en grote broer. Als kind zag ik mezelf oorlogen winnen, net als in de Hollywoodfilms.

Mijn vader wist wel beter. Hij was kind in de echte oorlog geweest en had buurtgenoten in Amsterdam op straat zien sterven. De oorlog zat bij ons thuis dan ook aan tafel. Nooit mochten we zeggen dat we honger hadden en het bord moest altijd leeg. Na de oorlog nam hij vrijwillig dienst bij de marine en ging hij in 1949 naar Indië. Mijn oom had toen al drie en een half jaar keihard vechten achter de rug op West Java. Nee, bij ons in de familie was er weinig begrip voor oorlogsromantiek.

De aantrekkingskracht bleef bestaan. Mijn vader heeft niet meer meegemaakt dat ik als officier beëdigd werd, ook al was dat niet als beroeps bij de Marine, maar als dienstplichtige bij de Landmacht. Daarna ben ik als historicus afgestudeerd op de ‘Politionele Acties’ en bleef ik als directeur van diverse musea en als vice voorzitter van de nationale herdenking 15 Augustus 1945 veel met het onderwerp bezig.

In het najaar van 2023 bezocht ik de slagvelden bij Kiev als voorbereiding op een tentoonstelling met oorlogsfotograaf Eddy van Wessel. Daar hoorde ik uit eerste hand over de Oekraïense volksmilities die de Russische invasie in 2022 tegen hadden gehouden. Het was de ‘Geest van Maidan’ zei mijn begeleider die erbij was geweest. In 2014 was die ‘spirit’ ontstaan toen het Oekraïense volk met de Maidanrevolutie succesvol in opstand kwam tegen het eigen corrupte regime.

Sindsdien heb ik vaak nagedacht over de lage inzetbereidheid in onze samenleving in vergelijking met andere Europese landen. Dat was na de Tweede Wereldoorlog wel anders. De generatie van mijn vader was nog doordrongen van de noodzaak van veiligheid en alertheid. Ze kenden de oorlog uit eigen ervaring. Mijn generatie is dankzij onze ouders opgegroeid met vrede als het nieuwe normaal. De dienstplicht hield het bewustzijn van oorlogsdreiging nog enigszins in leven. Zo hebben veel van mijn generatiegenoten dat in ieder geval ervaren. Maar na de val van de muur in 1989 leek oorlog voor Nederland verder weg dan ooit. Dat hebben we ‘gevierd’ met een structurele afbraak van onze krijgsmacht. Er waren inmiddels nog maar weinigen met oorlogservaring over die konden waarschuwen tegen deze afkalving.

Iraq, de Balkanoorlogen en vooral 9/11 brachten de dreiging weer terug, maar voor de meesten in ons welvarende land was dat een ver van ons bed show. Het leverde wel een enorm aantal nieuwe veteranen op; inmiddels zijn er meer dan 100.000 in Nederland. Aandacht of gehoor kregen zij maar weinig. Daarom vind ik het van belang te benadrukken welke rol veteranen spelen in onze samenleving. Veteranen weten wat oorlog is. Dat moeten we in de ogen blijven zien, letterlijk. Toen ik in 2024 een maatschappelijk onderwerp zocht voor De Hallen Amsterdam, heb ik direct mijn vrienden bij het Veteranen Instituut benaderd. Het fotoproject van Henk Warrink sloot daar perfect bij aan. De levensgrote indringende portretten van veteranen hebben in De Hallen in korte tijd meer dan 150.000 bezoekers getrokken.

Kijk hen in de ogen en bedenk wat je zelf zou doen.

Mijn vader en oom hadden natuurlijk gelijk. Er is niets romantisch aan oorlog. Het verbloemt de keiharde werkelijkheid die we niet mogen vergeten. Veteranen spelen daarin een onmisbare rol, als waakvlam in onze samenleving. ‘Kijk hen in de ogen en bedenk wat je zelf zou doen’. Dat is wat ik als zoon van een veteraan ooit heb gedaan en ook mijn eigen zonen probeer mee te geven.

Deze tekst en foto zijn gepubliceerd in 2026 in het fotoboek Welkom Thuis van fotograaf en veteraan Henk Warrink.

Tussen markt en bibliotheek

John Sijmonsbergen met zijn zoon op een terras

Dit stuk ontstond uit een gesprek tussen vader en zoon, beiden aan de vooravond van een nieuwe fase: de zoon rondt zijn studie af, de vader ziet de pensioenleeftijd in zicht komen. Een natuurlijk moment om terug te kijken. Aan het woord is de vader.

Hoe kijk je terug op je werk tot nu toe?

Als historicus weet ik dat terugkijken altijd subjectief is. De neiging ontstaat om logica achteraf toe te voegen. Tegelijkertijd weten we ook dat gebeurtenissen elkaar beïnvloeden en dus wel degelijk verbonden kunnen zijn. Terugkijkend op mijn loopbaan herken ik een aantal patronen waarvan ik mij onderweg nauwelijks bewust was.

Zo schakel ik graag tussen verschillende werelden. Ik ben iemand die graag iets in gang zet, maar tegelijkertijd ook een denker is. Als tiener stond ik met plezier op de markt om spulletjes te verkopen, terwijl ik ‘s avonds in mijn eentje in de bibliotheek verdwaalde in verhalen. Die twee werelden heb ik nooit los van elkaar gezien en dat is ook de combinatie die ik meeneem in mijn werk: inhoudelijke nieuwsgierigheid én de behoefte om iets van waarde voor elkaar te krijgen.

Militaire vorming en historische wortels

Vlak voor mijn studie Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam vervulde ik mijn diensttijd. Dat waren twee ervaringen die een stevige basis hebben gelegd voor mijn loopbaan. De geschiedenisstudie leerde mij context zien en verbanden leggen. De militaire ervaring als jonge officier leerde mij structureren, beslissen en verantwoordelijkheid nemen, ook als de situatie niet volledig helder was. Inmiddels ben ik nog steeds reservist, nu in de rang van luitenant-kolonel.

Mijn afstudeeronderzoek richtte zich op de Nederlandse militaire aanwezigheid in Nederlands-Indië na de Tweede Wereldoorlog, een onderwerp dat voor mij nooit alleen academisch is geweest. Mijn vader en oom dienden er beiden als militair. Die persoonlijke verbinding heeft mijn betrokkenheid bij deze geschiedenis blijvend bepaald.

Vijftien jaar lang was ik vicevoorzitter van de Nationale Herdenking 15 augustus 1945 bij het Indisch Monument in Den Haag. Wat lange tijd een belangrijke bijeenkomst was voor de direct betrokken achterban, groeide uit tot een nationale herdenking voor alle Nederlanders. Trots ben ik op de introductie van de Melati als nationaal symbool van verbondenheid met Indië en op Jong1508, de jongerenbeweging die de herdenking nieuwe energie geeft. We hebben lang durven vasthouden aan de strategie om te verbreden en te verjongen. Die strategie heeft nieuwe generaties duurzaam verbonden, zonder de eigenheid te verliezen. Het is geweldig om te merken dat nieuwe generaties de fakkel hebben overgenomen van de oorlogsgeneratie. Tot op vandaag blijf ik bij het onderwerp betrokken, onder meer als voorzitter van de Raad van Toezicht van Museum Sophiahof en als lid van de Raad van Toezicht van Stichting WO2Net.

‘Radicale Nuance’ noemden we dat. Met publieksprogramma’s over slavernij, klimaat en koloniaal verleden boden we altijd ruimte aan meerdere perspectieven.

Van commercie naar cultuur

De eerste tien jaar na mijn studie werkte ik in de commerciële dienstverlening. Daar leerde ik resultaatgericht werken en voor mijn doelen te vechten. Het was een harde en leerzame periode. Maar ondanks de successen voelde het in toenemende mate leeg. Het ging per slot van rekening vooral om geld. Ik besloot een draai te maken en mijn zakelijke ervaring in te zetten voor cultuur. Het duurde jaren voordat mijn inkomen weer op het oude peil was, maar ik heb mij er nooit enig moment armer door gevoeld. Integendeel.

Bijna twintig jaar werkte ik in de museale wereld. Twaalf jaar daarvan was ik als (plaatsvervangend) directeur onderdeel van een ingrijpende museale transitie: van Museum Volkenkunde in Leiden naar het Nationaal Museum van Wereldculturen, nu het Wereldmuseum, waarin de vier grote volkenkundige musea samenkwamen. Zo’n proces vraagt meer dan bestuurlijk vakmanschap. Het vroeg vooral moed om een andere koers in te zetten, omdat financiering in die jaren zeer onzeker was. Wat voorheen koloniale instellingen waren die decennialang worstelden met hun identiteit, groeide uit tot een museumgroep die maatschappelijk relevant werd en een nieuw en breder publiek bereikte. Dat lukte doordat een sterk team en toezichthouders elkaar ook in tijden van twijfel en tegenwind bleven steunen en scherp houden.

De nieuwe museumkoers kreeg de wind in de rug. In jaren van toenemende polarisatie probeerde het museum een baken van nuance te zijn. Dat we daarmee niet werden uitgenodigd aan talkshowtafels, die liever een zwart-witte tegenstelling wilden zien, namen we op de koop toe. De uitdaging voor ons was om niet te preken voor eigen parochie, maar de focus te houden op een breed publiek. Dat leidde intern tot veel gesprekken en gezonde discussies. Ik kijk met veel voldoening terug op deze leerzame periode.

Toen ik in coronatijd algemeen directeur werd van de Koninklijke Defensiemusea, kwamen voor mij veel lijnen samen: mijn liefde voor militaire geschiedenis, mijn ervaring met complexe museumprocessen en mijn ‘can do’ mentaliteit. Die eigenschap werd nodig geacht, want de museumgroep was in coronatijd vrijwel tot stilstand gekomen en er was bij enkele bloedgroepen nog weerstand tegen de fusie van een aantal jaren daarvoor. We kozen voor een sprong voorwaarts. Met een nieuwe visie hebben we de musea snel weer in beweging gekregen en nieuwe programma’s maakten het museum relevant voor een breder publiek. Bijzonder was de verwerving van het imposante schilderij De Slag bij Quatre Bras, dat overkwam van Paleis Soestdijk. En tegen de verwachtingen in kregen we de fondsenwerving rond voor een nieuw Marinemuseum in Den Helder. Ook leidde een samenwerking met collega’s uit Oekraïne tot een indrukwekkende tentoonstelling over de oorlog. Niet alles lukte. Bij nader inzien bleek verdere organisatorische integratie van de verschillende bloedgroepen een brug te ver. Verantwoordelijkheid nemen en consequenties trekken op directieniveau is nu eenmaal onderdeel van het werk. Mooi om te merken dat de inhoudelijke lijnen die in deze periode zijn uitgezet nog steeds worden gevolgd.

Missie als kompas

Het werk als bestuurder bij organisaties in een overgangsfase vereist lenigheid. Soms lukt het om snel een nieuwe koers in te slaan, een andere keer is een drassige omweg onvermijdelijk. Het is nooit tevergeefs. Organisaties gaan nu eenmaal vaak hink-stap-sprongsgewijs voorwaarts, en voor mij geldt hetzelfde. Wat ik daarbij voor ogen houd, is de missie. Verandering of groei zijn voor mij geen doel op zich, de missie wel.

Als directeur-bestuurder van De Hallen Amsterdam was dit ook aan de orde. Na de eerste succesvolle jaren van dit monumentale vastgoedproject was een herijking noodzakelijk: waar deden we het ook alweer voor? De unieke combinatie van sociaalcultureel- en zakelijk belang hebben we weer in evenwicht gebracht. Wat was het mooi om op die manier iets te kunnen betekenen voor mijn eigen buurt. De Hallen heeft een grote betekenis voor de buurt en de stad, en dat merkte ik elke dag door gesprekken met huurders, bewoners en bezoekers.

Momenteel ben ik directeur-bestuurder bij KunstenHuis Idea, een culturele fusieorganisatie van bibliotheken, theaters en kunstencentra in Zeist, Soest, De Bilt en Bunnik. Wat ik hier bijzonder vind is de laagdrempeligheid en de betekenis die de organisatie heeft voor de inwoners van de vier gemeenten. Onze vestigingen zijn culturele huiskamers en podia tegelijk, plekken van inspiratie waar je mag zijn. En dat doen elk jaar vele duizenden mensen, een ware dwarsdoorsnede van de samenleving. Ook hier begeleid ik de organisatie door een belangrijke ontwikkelfase: een zoektocht naar meer gezamenlijkheid en synergie na een recente fusie.

‘Wat haal je jezelf elke keer op je hals’, zei mijn zoon. Blijkbaar houd ik van uitdagingen, met het risico dat niet alles lukt. Maar ook die ervaring neem ik mee naar een volgende missie. Eigenlijk ben ik nog steeds die combinatie van boekennerd en verkoper die ik als jongen al was. Inhoudsgedreven, maar met de behoefte om daarmee iets bijzonders voor elkaar te krijgen bij een breed publiek.

‘Ik snap dat wel’, zei mijn zoon. Iedere generatie heeft weer nieuwe combinaties van genen en ervaringen, maar ik herken een vergelijkbare drive bij hem. Al is dat natuurlijk ook weer tamelijk subjectief.